Deze website maakt gebruikt van cookies. Klik hier voor meer informatie.
Klik op "OK" om cookies te accepteren, of op "Weigeren" om de cookies te weigeren.

'pornoverslaafde vader'
Elisa

lees hier meer verhalen

Film online groepscursus

Film online groepscursus

Schizofrenie en psychose

Mensen die een psychose of schizofrenie hebben, denken op dat moment dat dingen die zij zien, horen of ruiken er écht zijn, terwijl niemand anders die dingen waarneemt. Dit kan heel eng zijn, omdat ze bijvoorbeeld steeds denken dat iemand vergif in hun koffie heeft gestopt of dat de politie naar hen op zoek is.

Het kan zijn dat je vader of moeder de hele tijd vreemd doet, maar ook dat hij of zij soms weer ‘gewoon’ doet. Sommige mensen zijn vooral erg druk en doen veel rare dingen, andere worden juist erg verdrietig en somber en liggen de hele dag in bed.

Een psychose en schizofrenie lijken veel op elkaar. Het belangrijkste verschil is dat schizofrenie langer duurt dan een psychose. Je kunt een keer een psychose krijgen en daarna nooit meer. Iemand die schizofrenie heeft, heeft eigenlijk een hele lange psychose of meerdere psychoses achter elkaar. Andersom kun je ook zeggen dat iemand die lange tijd achter elkaar psychotisch is, schizofrenie heeft.

Bij een psychose moet minstens één van de volgende kenmerken aanwezig zijn:

  • Het zien, horen, ruiken of voelen van dingen die er niet echt zijn (hallucinaties) 
  • Het denken van dingen die niet waar zijn of niet kloppen, bijvoorbeeld denken dat iemand achtervolgd of gezocht wordt door de politie (wanen) 
  • Praten in wartaal of op een vreemde manier praten 
  • Vreemd, warrig gedrag of ineens niet meer bewegen (iemand lijkt dan te ‘bevriezen’)

De bovenstaande kenmerken zijn langer dan een dag, maar niet langer dan een maand aanwezig. Na een psychose wordt iemand weer ‘normaal’. De psychose is dus niet altijd aanwezig. Als de bovenstaande kenmerken langer dan een maand aanwezig zijn, kan iemand schizofrenie hebben.

Schizofrenie heeft de volgende kenmerken:

  • Het zien, horen, ruiken of voelen van dingen die er niet echt zijn (hallucinaties) 
  • Het denken van dingen die niet waar zijn of niet kloppen, bijv. denken dat iemand achtervolgd of gezocht wordt door de politie (wanen) 
  • Praten in wartaal of op een vreemde manier praten 
  • Vreemd, warrig gedrag of ineens niet meer bewegen (iemand lijkt dan te ‘bevriezen’) 
  • Geen dingen meer willen doen die iemand daarvoor wel prettig vond of wilde doen. Ook kan het lijken of iemand niet meer goed kan ‘voelen’: iemand wordt niet meer blij en vrolijk, maar ook niet meer boos of verdrietig 
  • Iemand presteert niet meer goed op het werk of in hobby’s, kan niet goed meer met andere mensen omgaan en zorgt slecht voor zichzelf (niet wassen, geen schone kleren aantrekken) 
  • Er zijn zes maanden lang steeds één of meer kenmerken van de stoornis aanwezig, waarvan minstens een maand twee van de vier eerstgenoemde kenmerken

sluiten